binden

Nederlands (nl)

  Uitspraak

Hulp:IPA: [ˈbɪn.də(n)]
    
(lêer)
Stamtye
binden bond gebonden  
Tydvorme
Persoon Teenwoordige Tyd Verlede Tyd
ik bind bond
jij, u bindt
hij, zij, het bindt
wij, jullie, zij binden bonden
Gebiedende Wys Voltooide deelwoord Onvoltooide deelwoord
bind gebonden bindend
 

  Werkwoord

     Betekenisse

Bind

     Eienskappe

Oorganklike werkwoord.
Hulpwerkwoorde Bedrywend Lydend
Onvoltooid worden
Voltooid hebben zijn

Die voltooide deelwoord kan attributief gebruik word.
Sterke werkwoord van klas drie.