limbă

Moldawies (mo)

Naamval Enkelvoud Meervoud
Onbepaald Bepaald Onbepaald Bepaald
Nominatief limbă
лимбэ
limba
лимба
limbi
лимбь
limbile
лимбиле
Genitief limbi
лимбь
limbii
лимбий
limbi
лимбь
limbilor
лимбилор
Datief limbi
лимбь
limbii
лимбий
limbi
лимбь
limbilor
лимбилор
Akkusatief limbă
лимбэ
limba
лимба
limbi
лимбь
limbile
лимбиле
Vokatief limbă
лимбэ
limbilor
лимбилор

Vroulik

  Uitspraak

IPA:
onbepaald: [ˈlimbə], genitief: [limbʲ]; meervoud: [limbʲ]
bepaald: [ˈlimba], genitief: [ˈlimbi], vokatief: [ˈlimbə]; meervoud: [ˈlimbile], genitief: [ˈlimbilor]

  Spelling tot 1860

onbepaald:
ли́мбъ, genitief: ли́мбй; meervoud: ли́мбй
bepaald:
ли́мба, genitief: ли́мбій, vokatief: ли́мбъ; meervoud: ли́мбиле, genitief: ли́мбилѡр(ь)

  Spelling tot 1862

onbepaald:
лimбъ, limбъ; genitief: лimбĭ, limбĭ; meervoud: лimбĭ, limбĭ
bepaald:
лimбa, limбa; genitief: лimбiĭ, limбiĭ; vokatief: лimбъ, limбъ; meervoud: лimбiлe, limбile; genitief: лimбiлoр(ɤ̆), limбiloр(ɤ̆)

  Spelling tot 1904

onbepaald:
limbă, genitief: limbĭ; meervoud: limbĭ
bepaald:
limba, genitief: limbiĭ, vokatief: limbă; meervoud: limbile, genitief: limbilor(ŭ)

  Spelling van die 1930s tot 1989

onbepaald:
лимбэ, genitief: лимбь; meervoud: лимбь
bepaald:
лимба, genitief: лимбий, vokatief: лимбэ; meervoud: лимбиле, genitief: лимбилор

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

  1. Tong
  2. Taal


Roemeens (ro)

Naamval Enkelvoud Meervoud
Onbepaald Bepaald Onbepaald Bepaald
Nominatief limbă limba limbi limbile
Genitief limbi limbii limbi limbilor
Datief limbi limbii limbi limbilor
Akkusatief limbă limba limbi limbile
Vokatief limbă limbilor

Vroulik

  Uitspraak

IPA:
onbepaald: [ˈlimbə], genitief: [limbʲ]; meervoud: [limbʲ]
bepaald: [ˈlimba], genitief: [ˈlimbi], vokatief: [ˈlimbə]; meervoud: [ˈlimbile], genitief: [ˈlimbilor]

  Spelling tot 1860

onbepaald:
ли́мбъ, genitief: ли́мбй; meervoud: ли́мбй
bepaald:
ли́мба, genitief: ли́мбій, vokatief: ли́мбъ; meervoud: ли́мбиле, genitief: ли́мбилѡр(ь)

  Spelling tot 1862

onbepaald:
лimбъ, limбъ; genitief: лimбĭ, limбĭ; meervoud: лimбĭ, limбĭ
bepaald:
лimбa, limбa; genitief: лimбiĭ, limбiĭ; vokatief: лimбъ, limбъ; meervoud: лimбiлe, limбile; genitief: лimбiлoр(ɤ̆), limбiloр(ɤ̆)

  Spelling tot 1904

onbepaald:
limbă, genitief: limbĭ; meervoud: limbĭ
bepaald:
limba, genitief: limbiĭ, vokatief: limbă; meervoud: limbile, genitief: limbilor(ŭ)

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

  1. Tong
  2. Taal