Disambig.svg Sien ook April

Noors boekmaal (nb)

Naamval Enkelvoud Meervoud
  Onbepaald Bepaald Onbepaald Bepaald
Nominatief april m aprilmåneden aprilmåneder aprilmånedene  
Genitief aprils aprilmånedens aprilmåneders aprilmånedenes

  Spelling tot 1910

april, meervoud: aprilmaaneder

  Uitspraak

IPA: [aˈpriːl], bepaald: [a˅priːlmoːn(ə)dən]; meervoud: [a˅priːlmoːn(ə)dər], bepaald: [a˅priːlmoːn(ə)dənə]

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

April

     Sinonieme

fåremåned, gressmåned, vårmåned


Deens (da)

Enkelvoud Meervoud
Naamval Onbepaald Bepaald Onbepaald Bepaald
Nominatief april g aprilmåneden aprilmåneder aprilmånederne  
Genitief aprils aprilmånedens aprilmåneders aprilmånedernes

  Spelling tot 1948

april, meervoud: aprilmaaneder

  Uitspraak

IPA: [æˈpʁiˑˀl], bepaald: [æˈpʁiˑˀlˌmo̜ːnəðən]; meervoud: [æˈpʁiˑˀlˌmo̜ːnəðɐ], bepaald: [æˈpʁiˑˀlˌmo̜ːnəðɐnə]

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

April

     Sinonieme

fåremåned, græsmåned


Interlingua (ia)

Enkelvoud Meervoud
  april     apriles  

  Uitspraak

IPA: [aˈpɾil], meervoud: [aˈpɾiles]

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

April


Interlingue (ie)

Enkelvoud Meervoud
  april     apriles  

  Uitspraak

IPA: [aˈpriːl], meervoud: [aˈpriːlɛs]

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

April


Lingua Franca Nova (lfn)

Enkelvoud Meervoud
april
април
apriles
априлес

  Uitspraak

IPA: [aˈpril], meervoud: [aˈpriles]

  Met Cyrilliese letters

април, meervoud: априлес

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

April


Nederlands (nl)

Enkelvoud Meervoud
Naamwoord april m aprilmaanden 
Verkleinwoord aprilletje aprilletjes 
Verouderde vorme
Genitief aprils aprilmaanden

  Spelling tot 1934

April, meervoud: Aprilmaanden

  Uitspraak

IPA:
Nederlands: [aˈprɪɫ], meervoud: [aˈprɪɫˌmaːndə(n)]
Belgies: [ɑˈpʀɪɫ], meervoud: [ɑˈpʀɪɫˌmaːndə(n)]

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

April

     Sinonieme

grasmaand, kiemmaand, paasmaand, eiermaand


Nieu-Noors (nn)

Naamval Enkelvoud Meervoud
Onbepaald Bepaald Onbepaald Bepaald
Nominatief april m aprilmånaden aprilmånader aprilmånadene
Genitief aprils aprilmånadens aprilmånaders aprilmånadenes

  Spelling tot 1910

april, meervoud: aprilmaanader

  Uitspraak

IPA: [aˈpriːl], bepaald: [a˅priːlmoːnaən]; meervoud: [a˅priːlmoːnaər], bepaald: [a˅priːlmoːnaənə]

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

April

     Sinonieme

fåremånad, gressmånad, vårmånad, såmånad, sipemånad


Sweeds (sv)

Naamval Enkelvoud Meervoud
Onbepaald Bepaald Onbepaald Bepaald
Nominatief april g aprilmånaden aprilmånader aprilmånaderna
Genitief aprils aprilmånadens aprilmånaders aprilmånadernas

  Uitspraak

IPA: [aˈpril], bepaald: [a˅prilmoːnadən]; meervoud: [a˅prilmoːnadər], bepaald: [a˅prilmoːnadəɳa]

  Selfstandige naamwoord

     Betekenisse

April

     Sinonieme

gräsmånad