Brood.
Enkelvoud Meervoud
  brood     brode    
Verkleiningsvorm
Enkelvoud Meervoud
  broodjie     broodjies  
Hulp:IPA: [bruə̯t]
    
(lêer)
meervoud: [ˈbruə̯də]
بْرُوَدْ , meervoud: بْرُوَدِی
broot, meervoud: bróde
  1. Voedsel van gebakte meeldeeg.
  2. Lewensonderhoud.
  1. Die bakker bak vroegoggend brood.
  2. Gee ons elke dag ons daaglikse brood; en vergeef ons ons sondes.[1]
  Vertalings:    brood
Duits: Brot(de); (een brood:) Laib(de)
Engels: bread(en); (een brood:) loaf(en)
Esperanto: pano(eo)
Frans: pain(fr)
Goties: *𐌱𐍂𐌰𐌿𐌸(got) (bráuþ), (een brood:) 𐌷𐌻𐌰𐌹𐍆𐍃(got) (hláifs)
Interlingue: pane(ie)
Italiaans: pane(it)
Latyn: panis(la)
Luxemburgs: Brout(lb)
Nederlands: brood(nl)
Russies: хлеб(ru) (chleb)
Spaans: pan(es)
Sweeds: bröd(sv); (een brood:) limpa(sv)

  Meer inligting

Sien Wikipedia vir meer inligting oor brood.
  1. Lukas 11:3


Enkelvoud Meervoud
Naamwoord brood o broden 
Verkleinwoord broodje broodjes 
Verouderde vorme
Genitief broods broden  
Datief brode broden
brood, datief: brood(e); meervoud: brooden
IPA:
Nederlands: [broːt], meervoud: [ˈbroːdə(n)]
Belgies: [bʀoə̯t], meervoud: [ˈbʀoə̯də(n)]
Brood