Enkelvoud Meervoud
Naamwoord hoofd o hoofden 
Verkleinwoord hoofdje hoofdjes  
 
1hoofd, 2gezicht, 3hals, 4schouder, 5borst, 6navel, 7buik, 8lies, 9penis, 10dijbeen, 11knie, 12been, 13enkel, 14voet, 15arm, 16elleboog, 17onderarm, 18pols, 19hand
IPA: [ɦofd̥]
  1. (anatomie) Kop
  2. Hoof; iemand met gesag oor ander.
1. «Hij krabbelde op z'n hoofd
Hy het sy kop gekrap.
2. «Zij is hoofd van de afdeling.»
Sy is hoof van die afdeling.